Vroeger had ik een hond. Hij is inmiddels ruim tien jaar dood, maar het beeld van een ruim vijfendertig kilo wegende torpedo van blind enthousiasme blijft mij voor ogen staan. Een hijgende, snuivende, over het parket krassende, glazen van tafel maaiende, doldwaze gek met maar één doel: levensgenieten. Geboren in het tweede nest van zijn moeder moest hij volgens de stamboekgewoontes een naam krijgen beginnend met de tweede letter van het alfabet. Toen hij nog heel klein was had hij de gewoonte zijn middagdutje te doen in een doorgezaagd wijnvaatje, waar hij al snel niet meer inpaste. Maar we noemden hem ‘Bacchus’, naar de god van de wijn. Een betere naam had hij niet kunnen hebben: dronken van simpel geluk ging hij door het leven: slapen, eten, rennen en dat niet persé in deze volgorde. Elke blik zijn richting op werd met wild gekwispel begroet. Een opgeheven arm van een willekeurige vreemdeling op straat zette hem aan tot een uitbundige begroeting. Geen sloot waar hij niet vol doldrieste verwachting insprong om daarna liters water uit zijn vacht leeg te schudden over de verbaasde toeschouwers.
Vandaag ben ik met Betty meegegaan naar Confitería Ídeal, een van de oude plekken in Buenos Aires waar nog bijna elke dag tango wordt gedanst. Het gebouw ligt verscholen in een drukke straat, vlak bij de Obelisk. Als je niet oplet loop je er zo voorbij in de drukte van het verkeer met de vele taxi’s en bussen. De trottoirs zijn te smal voor alle voetgangers en het is noodzakelijk om goed achterom te kijken voordat je een voet op de rijbaan zet om snel even iemand te passeren. Als we er bijna zijn kijk ik langs de oude gevel omhoog naar de Evita-balkons en het uithangbord met de neonletters, dat overigens al lang niet meer werkt. Ik word altijd een beetje blij als ik hier naar binnen ga. Het gebouw lijkt toegang te verschaffen tot een verscholen wereld die op het punt staat voorgoed verloren te gaan.
Achter de vestibule klinkt het vage geluid van een elektrisch orgel, dat halverwege de grote zaal op een podium staat. Een grijze ober staat tegen de bar geleund. In de zaal zijn de tafeltjes leeg, op één na, waar wat mensen kaarten. Vlak naast de deur staan glazen vitrines met honderden soorten koekjes en chocolaatjes, uitgestald om rustig te bekijken, zonder dat de ober naar je toe zal lopen. Hier beneden is geen bedrijvigheid, dit is het verstilde voorportaal naar het verleden. Links wijst de majestueuze stenen trap naar boven. Met elke stap omhoog vervagen de klanken van het orgel en dringen de bekende tangoklanken door, tegelijk met een steeds sterker wordende geur van wierook, die wordt gebruikt om de geur van schimmel en kattenpis te maskeren. Hier is de bovenzaal, met stenen vloeren en met plafonds met statige kroonluchters. In het midden is de vloer vrijgemaakt als danspiste. Eromheen staat een bonte verzameling van de meest krakkemikkige stoeltjes die ooit bij elkaar zijn gezet. Grote ventilatoren houden de lucht in beweging; het doet de tafelkleedjes opwaaien en de kroonluchters langzaam wiegen. Dit is La Ídeal, de plek waar ik altijd naar toe wil omdat je voelt dat het de laatste keer zou kunnen zijn. Wanneer besluiten de stukken glas en lood eindelijk uit de sponningen te vallen? Wanneer zal de waterleiding het definitief begeven? Het gebouw ademt vergane glorie en past bij de tango zoals de mensen die hier komen passen in Ídeal: oud en stoffig maar nog altijd dansend.
Ídeal is de ideale plek om met dansen te beginnen als je nieuw in de stad bent. In Ídeal danst elke vrouw. Zelfs de twee meter lange reuzin uit Duitsland zit niet lang aan een tafeltje. De best bezochte middagen zijn de maandag en vrijdag, maar vandaag is donderdag. Bij binnenkomst is het meteen duidelijk, er is bijna niemand. Hier en daar wat bekende gezichten van dansers en dansleraren. Mensen zitten verspreid achter tafeltjes rond de dansvloer. Betty heeft een afspraak met haar dansleraar. Hij danst graag met haar om reclame te maken voor het goede doel: zichzelf. Al snel hebben ze elkaar gevonden en ik blijf, met een loom gevoel van vertrouwdheid, alleen achter op een wiebelig stoeltje. Ik herken sommige gezichten nog van de vele vorige keren dat ik hier was. De grote grijze meneer die mij doet denken aan een oude Sovjetgeneraal, die buiten de basispas eigenlijk alleen maar dat viezige knijptrucje met zijn knieën heeft. Of het stokoude kromme mannetje dat de meeste bizarre espectáculo figuren probeert te dansen. Ik kijk wat rond in de zaal en zie dat er niets veranderd is. Er zitten wat oudere stelletjes en een paar dames alleen, maar er zijn vooral veel strengkijkende mensen, star achter een tafel.
Eigenlijk kom ik tegenwoordig nog zelden in Ídeal. Er zijn haast nooit goede dansers, en sommige heren kunnen heel opdringerig zijn. Als ik ga, ga ik vooral om te genieten van de sfeer van het gebouw en om rond te sluipen op plekken waar ik eigenlijk niet komen mag. Dan zie ik een bekend gezicht: Nestor, de dansende huisdokter. Snel trek ik mijn schoenen aan en kijk waar hij gaat zitten: helemaal achteraan bij een pilaar. Ik maak me geen zorgen, hij heeft mij al in zoveel salons uit de brand geholpen. Op de meest ontoegankelijke salons, de meest saaie salons, of de meest uitgestorven salons. De eerste keer dat wij met elkaar dansten was vorig jaar in ‘El Arranque’, een troosteloze en donkere zaal, waar ik als nieuwkomer aan een achteraftafeltje tegen honderd ruggen aan zat te kijken. Hij vroeg mij ten dans toen ik op het punt stond de moed definitief te verliezen en hij danste met mij, ook al wist hij niet of ik wel dansen kon. Al na de eerste dans straalde zijn gezicht van blijdschap. Terwijl hij met een grote zakdoek zijn gezicht droogdepte, overlaadde hij mij met complimenten en sprak zijn genoegen uit eens met iemand van enigszins gelijke lengte te kunnen dansen. Blijmoedige complimenten zonder bijbedoeling.
Nestor is een van die dansers die je alleen kan ontmoeten in een middagsalon. Na het werk komt hij nog even een uurtje dansen, zijn werktas zet hij naast zijn tafeltje. Ik heb hem nog nooit gezien in de meer ambitieuze avondsalons waar alle bekende milonguero’s in hun bekende cirkeltje dansen. Hij danst voor het plezier, sterker nog: hij ís plezier. Je pikt hem er zo uit op de dansvloer: zijn grote lijf ploft bijna van energie. Elke stap is overladen met enthousiasme. Ik kan me wel vinden in de kritiek van dames dat hij te weinig ruimte geeft en teveel overheerst. Dansen met Nestor is inderdaad de touwtjes uit handen geven. Hij houdt je stevig vast, alsof hij bang is dat je hem kan ontglippen. Maar het is een goedmoedige omhelzing, zoals King Kong zijn blondine koestert: beschermend en vertederend in alle overmacht. En dan, na elke dans, die ontwapenende stralende blik van puur geluk. En dan die bettende zakdoek: goed bedoeld maar het is dweilen met de kraan open. Nestor danst op de manier die ik misschien een beetje vergeten ben: om te genieten van elke pas, zonder te oordelen.
Er klinkt een set milonga’s, en meteen richt ik mijn blik op Nestor. Hij ziet me en knikt lachend terug, terwijl hij zich nog aan het afdrogen is van de afgelopen serie walsjes. Wat een feest, milonga’s in Ídeal met Nestor. Een korte begroeting en we vertrekken, met grote passen. Als een generaal loodst hij mij door de traspies. Geen vrouw op aarde die deze passen niet zou kunnen volgen. Ik zou zweren dat hij me af en toe gewoon van de vloer tilt. Kris kras bewegen wij tussen de twee witte pilaren van de dansvloer door. Ik besef dat we samen een gevaarlijk projectiel vormen, maar zorgen maken is onnodig. We raken niemand en nergens om ons heen zie ik boze blikken: wie kan er boos worden op deze doldriest dansende dokter? Na één dansje kijk ik verlangend naar de zakdoek in zijn handen. Ik zou nu ook wel even willen betten, maar ik plak met mijn handen het natte haar aan mijn rechterslaap. Tijdens de tweede dans voel ik het zweet van zijn hoofd tussen mijn borsten naar beneden druppen. Al snel zit er een natte plek in mijn topje, en na de derde dans is de hele voorkant doorweekt. Als de tanda eindigt staan wij elkaar als hijgende pakpaarden aan te kijken. “Te gustó?” vraagt hij nog. Ik geef hem een zoen op zijn natte wangen. Dit is een man naar mijn hart.
